Bijlage 4: Gods verschijning aanschouwen in Zijn oordeel en tuchtiging
Net als de honderden miljoenen anderen die de Heer Jezus Christus volgen, houden we ons aan de wetten en geboden van de Bijbel, genieten we van de overvloedige genade van de Heer Jezus Christus en komen we samen, bidden, prijzen en dienen we in de naam van de Heer Jezus Christus – en dit alles doen we onder de zorg en bescherming van de Heer. Vaak zijn we zwak en ook zijn we vaak sterk. We geloven dat al onze handelingen in overeenstemming zijn met wat de Heer onderwijst. Het spreekt dus vanzelf dat we ook geloven dat we ons op het pad bevinden waarop we handelen naar de wil van de Vader in de hemel. We verlangen naar de terugkeer van de Heer Jezus, naar Zijn glorievolle neerdaling, naar het einde van onze levenswijze op aarde, naar de komst van het koninkrijk en naar alles zoals het was voorspeld in het boek Openbaring: de Heer arriveert, Hij brengt rampspoed, Hij beloont het goede en straft het kwade en Hij neemt iedereen die Hem volgt en die Zijn terugkeer verwelkomt op om Hem in de lucht tegemoet te komen. Telkens als we hieraan denken, kunnen we niet anders dan overmand worden door emotie, vreugdevol dat we in de laatste dagen zijn geboren en het geluk hebben om getuige te zijn van de komst van de Heer. Al hebben we geleden onder vervolgingen, in ruil daarvoor kregen we ‘een eeuwige luister, die alles omvat en alles overtreft’. Wat een zegening! Al dit verlangen en de genade die de Heer ons schenkt, maken ons voortdurend nuchter voor het gebed en steeds ijveriger in het samenkomen. Misschien volgend jaar, misschien morgen, of misschien in een kortere tijd dan de mens zich kan voorstellen, zal de Heer plotseling neerdalen en verschijnen onder een groep mensen die gretig op Hem hebben gewacht. We haasten ons om elkaar voor te zijn, niemand wil achterblijven, en dat allemaal om bij de eerste groep te zijn die de verschijning van de Heer aanschouwt, om bij degenen te horen die verrukt zullen worden. Zonder stil te staan bij de kosten, hebben we alles gegeven voor de komst van deze dag. Sommigen hebben hun baan opgegeven, sommigen hebben hun families verlaten, anderen hebben afstand gedaan van het huwelijk en weer anderen hebben zelfs al hun spaargeld gedoneerd. Wat een onzelfzuchtige daden van toewijding! Dergelijke oprechtheid en loyaliteit gaat beslist de heiligen van vervlogen tijden te boven! Omdat de Heer goedgunstig is voor wie Hij wil en genade schenkt aan wie Hij wil, zijn onze daden van toewijding en inzet, zo geloven we, allang door Zijn ogen aanschouwd. Zo hebben onze oprechte gebeden ook Zijn oren al bereikt en we vertrouwen erop dat de Heer ons zal belonen voor onze toewijding. Bovendien stond God al voordat Hij de wereld schiep welwillend tegenover ons, en de zegeningen en beloften die Hij aan ons heeft gegeven, kan niemand ons afnemen. We maken allemaal toekomstplannen en als vanzelfsprekend hebben we onze toewijding en uitgaven omgezet in onderhandelingsfiches of kapitaal om te ruilen tegen onze opname om de Heer in de lucht te ontmoeten. Bovendien hebben we onszelf zonder de minste aarzeling op de troon van de toekomst geplaatst om alle naties en alle volkeren te besturen en als koningen te regeren. Dit alles beschouwen we als gegeven, als iets wat te verwachten is.
We minachten iedereen die tegen de Heer Jezus is; uiteindelijk zullen zij allemaal worden vernietigd. Wie heeft hen gezegd niet te geloven dat de Heer Jezus de Verlosser is? Natuurlijk zijn er momenten waarop we de Heer Jezus imiteren door medelijden te hebben met de mensen in de wereld, want ze begrijpen het niet en het is goed dat we tolerant en vergevingsgezind tegenover hen zijn. Alles wat we doen is in overeenstemming met de woorden van de Bijbel, want alles wat niet overeenkomt met de Bijbel is dwaalleer en ketterij. Dit soort geloof is diep geworteld in ieders geest. Onze Heer is in de Bijbel en als we niet afwijken van de Bijbel, zullen we niet van de Heer afwijken. Als we ons aan dit principe houden, dan worden we gered. We sporen elkaar aan en ondersteunen elkaar en elke keer dat we samenkomen, hopen we dat alles wat we zeggen en doen in overeenstemming is met de wil van de Heer en door de Heer zal worden aanvaard. Ondanks de ernstige vijandigheid van onze omgeving, zijn onze harten vervuld van vreugde. Als we aan de zegeningen die binnen handbereik zijn denken, is er dan iets wat we niet opzij kunnen zetten? Is er dan niets waarvan we niet graag afstand doen? Dit alles is vanzelfsprekend en wordt waargenomen door Gods ogen. Wij, deze handvol behoeftigen die uit de mesthoop is opgetild, zijn net als alle gewone volgelingen van de Heer Jezus, dromend van opname, van zegening en van het regeren over alle naties. Onze verdorvenheid wordt blootgelegd in de ogen van God en onze verlangens en hebzucht worden veroordeeld in de ogen van God. Toch gebeurt dit allemaal zo normaal, zo logisch, dat niemand van ons zich afvraagt of onze verlangens juist zijn, laat staan dat ook maar iemand van ons twijfelt aan de juistheid van alles waar we ons aan houden. Wie doorgrondt Gods wil? Welk pad de mens precies bewandelt, kunnen we niet nagaan of ontdekken; nog minder zijn we geïnteresseerd in onderzoek. Want we geven er alleen maar om of we opgenomen kunnen worden, of we gezegend kunnen worden, of er een plaats voor ons is in het hemelse koninkrijk en of we een deel van het water van de rivier des levens en de vrucht van de boom des levens zullen hebben. Is het niet om deze dingen te verkrijgen dat we in de Heer geloven en zijn volgelingen worden? Onze zonden zijn vergeven, we zijn tot inkeer gekomen, we hebben van de beker met bittere wijn gedronken en hebben het kruis op onze rug gelegd. Wie kan beweren dat de Heer de prijs die we betaald hebben niet zal aanvaarden? Wie kan beweren dat we niet voor genoeg olie hebben gezorgd? We willen niet die dwaze maagden zijn of een van degenen die worden verlaten. Bovendien bidden we voortdurend en vragen we de Heer om te voorkomen dat we misleid worden door valse Christussen, want er staat in de Bijbel: “Als iemand dan tegen jullie zegt: ‘Kijk, Christus is hier of daar,’ geloof het dan niet. Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan. Zij zullen grote tekenen en mirakelen aan de dag leggen, zodat zij – als dat mogelijk was – zelfs de door God uitverkozen mensen om de tuin zouden leiden” (Matteüs 24:23-24). We hebben allemaal deze Bijbelverzen in onze geheugens gegrift; we kennen ze uit ons hoofd en zien ze als een kostbare schat, als leven en als een geloofsbrief die beslist of we kunnen worden gered of opgenomen …
Duizenden jaren lang zijn de levenden heengegaan, hun verlangens en dromen met zich meenemend, en niemand weet met zekerheid of ze naar het koninkrijk der hemelen zijn gegaan. De doden keren terug en ze zijn alle verhalen vergeten die eens hebben plaatsgevonden en volgen nog steeds de leringen en de paden van de voorouders. En dus, met het verstrijken van de jaren en de dagen, weet niemand of onze Heer Jezus, onze God, echt alles accepteert wat we doen. We kijken simpelweg uit naar een uitkomst en speculeren over alles wat er zal gebeuren. Toch is God voortdurend stil gebleven en is Hij nooit aan ons verschenen of heeft Hij tot ons gesproken. En dus beoordelen we willens en wetens Gods wil en gezindheid volgens de Bijbel en de tekenen. We zijn gewend geraakt aan de stilte van God; we zijn gewend geraakt aan het afwegen van het goed of kwaad van ons gedrag met behulp van onze eigen manier van denken; we zijn eraan gewend geraakt om onze kennis, opvattingen en morele ethiek te gebruiken om Gods eisen aan ons te vervangen; we zijn gewend geraakt aan het genieten van de genade van God; we zijn eraan gewend geraakt dat God hulp biedt wanneer we het nodig hebben; we zijn eraan gewend geraakt om onze handen naar God uit te strekken voor allerlei dingen en God maar raak te bevelen; we zijn ook gewend geraakt aan het volgen van doctrines, zonder aandacht te schenken aan hoe de Heilige Geest ons leidt; bovendien zijn we gewend geraakt aan dagen waarin we onze eigen meester zijn. We geloven in zo’n God, een die we nog nooit hebben ontmoet. Vragen zoals hoe Zijn gezindheid is, wat Hij heeft en is, hoe Zijn beeld eruit ziet, of we Hem zullen kennen of niet wanneer Hij komt, enzovoort – geen van deze dingen is belangrijk. Wat belangrijk is, is dat Hij in onze harten is, dat we Hem allemaal verwachten en dat we ons kunnen voorstellen hoe Hij is. We waarderen ons geloof en koesteren onze spiritualiteit. We beschouwen alles als mest en betreden alles met voeten. Omdat we de volgelingen zijn van de glorierijke Heer, ongeacht hoe lang en moeizaam de reis is, ongeacht welke ontberingen en gevaren ons overkomen, kan niets onze voetstappen stoppen als we de Heer volgen. “Een rivier van levenswater, helder als kristal, stroomt uit de troon van God en het Lam. Op beide oevers staat de boom des levens, die twaalf soorten fruit draagt en zijn fruit iedere maand voortbrengt. De bladeren van de boom zijn om de naties te genezen. Er zal geen vloek meer zijn, geen vloek. De troon van God en het Lam zal in de stad staan. Zijn dienaren zullen Hem dienen, en ze zullen Zijn gezicht zien, ze zullen Zijn gezicht zien. Zijn naam zal op hun voorhoofden staan. En er zal geen nacht meer zijn: een kaars is niet meer nodig, geen kaars, noch het licht van de zon, want de Heer God geeft hun licht. Ze zullen voor eeuwig en altijd heersen. Ze zullen voor eeuwig en altijd heersen” (Openbaring 22:1-5). Elke keer als we deze woorden zingen, vloeien onze harten over van grenzeloze vreugde en voldoening, en stromen tranen uit onze ogen. Dank aan de Heer dat Hij ons gekozen heeft; dank aan de Heer voor Zijn genade. Hij heeft ons nu in dit leven het honderdvoudige gegeven en heeft ons het eeuwige leven gegeven in de komende wereld. Als Hij ons nu zou vragen om te sterven, zouden we dat zonder de minste klacht doen. O Heer! Kom alstublieft snel! Omdat we zo wanhopig naar U verlangen en alles voor U hebben opgegeven, treuzel daarom geen minuut, geen seconde langer.
God is stil en is nog nooit aan ons verschenen, maar Zijn werk is nooit gestopt. Hij overziet de hele aarde, beveelt alle dingen en aanschouwt alle woorden en daden van de mens. Hij beheert volgens afgemeten stappen, volgens Zijn plan, geruisloos en zonder al te veel drama, maar Zijn voetstappen komen, één voor één, steeds dichter bij de mensheid en de stoel waarin Hij rechtspreekt wordt bliksemsnel in het heelal klaargezet, waarna Zijn troon onmiddellijk onder ons neerdaalt. Wat een majesteitelijk schouwspel is dat, wat een statig en plechtig tafereel! Als een duif en als een brullende leeuw arriveert de Geest in ons midden. Hij is wijsheid; Hij is rechtvaardigheid en majesteit; Hij komt heimelijk onder ons, vol gezag en vervuld van liefde en genade. Niemand weet van Zijn komst, niemand verwelkomt Zijn komst en bovendien weet niemand wat Hij allemaal gaat doen. Het leven van de mens gaat door als voorheen; zijn hart is niet anders en de dagen gaan voorbij zoals gewoonlijk. God leeft onder ons, een mens als andere mensen, als een van de onbeduidendste volgelingen en een gewone gelovige. Hij heeft Zijn eigen bezigheden, Zijn eigen doelen. Bovendien heeft Hij de goddelijkheid die gewone mensen niet hebben. Niemand heeft het bestaan van Zijn goddelijkheid opgemerkt en niemand heeft het verschil tussen Zijn essentie en die van de mens waargenomen. We leven samen met Hem, onbeperkt en onbevreesd, want in onze ogen is Hij maar een onbelangrijke gelovige. Hij ziet alles wat we doen en al onze gedachten en ideeën worden voor Hem blootgelegd. Niemand interesseert zich voor Zijn bestaan, niemand kan zich enige voorstelling maken van Zijn functie en bovendien heeft niemand enig vermoeden van wie Hij is. Alles wat we doen is verdergaan met onze bezigheden, alsof Hij niets met ons te maken heeft …
Bij toeval spreekt de Heilige Geest ‘via’ Hem een passage uit met woorden en ook al voelt het heel onverwacht aan, we erkennen het toch als Gods uitspraken en nemen we die gretig van God aan. Dat komt omdat, zolang deze woorden van de Heilige Geest komen, ongeacht wie ze uitdrukt, we ze moeten accepteren en ze niet mogen ontkennen. De volgende uiting kan via mij zijn of via jou of via iemand anders. Wie het ook is, alles is de genade van God. Het maakt niet uit wie het is, want we mogen die persoon niet aanbidden, want deze kan hoe dan ook onmogelijk God zijn. In geen geval zouden we zo’n gewoon persoon uitkiezen om onze God te zijn. Onze God is zo groot en eervol; hoe zou zo’n onbeduidend persoon Hem kunnen vervangen? Sterker nog, we wachten allemaal op de komst van God om ons terug te brengen naar het koninkrijk der hemelen. Hoe zou zo’n onbeduidend iemand gekwalificeerd kunnen zijn voor zo’n belangrijke en zware taak? Als de Heer terugkomt, moet het op een witte wolk zijn, zodat de menigten Hem kunnen zien. Wat zal dat glorieus zijn! Hoe is het mogelijk dat Hij Zich zo heimelijk onder een gewone groep mensen kan verbergen?
En toch is het deze gewone persoon, die verborgen is onder de mensen, die het nieuwe werk van het redden van ons uitvoert. Hij geeft ons geen toelichtingen en evenmin vertelt Hij ons waarom Hij gekomen is, maar Hij doet eenvoudigweg het werk dat Hij van plan is te doen volgens Zijn plan en Zijn procedure. Zijn woorden en uitingen worden steeds frequenter. Van troosten, vermanen, herinneren en waarschuwen, tot verwijten en disciplineren; van een toon die zachtaardig en mild is, tot woorden die fel en majestueus zijn – ze zorgen er allemaal voor dat de mens een enorm gevoel van barmhartigheid en angst krijgt. Alles wat Hij zegt raakt de geheimen die diep in ons verborgen zijn, Zijn woorden steken in ons hart, steken onze geest en zorgen ervoor dat wij vervuld raken van ondraaglijke schaamte waarbij we nauwelijks weten waar we ons moeten verbergen. We beginnen te betwijfelen of de God in het hart van deze persoon echt van ons houdt, en wat Hij precies van plan is. Misschien kunnen we pas opgenomen worden als we deze pijnen hebben doorstaan? In onze hoofden maken we berekeningen … over de bestemming die komt en over ons toekomstig lot. Toch gelooft niemand van ons, zoals voorheen, dat God al in het vlees is gekomen om te midden van ons te werken. Hoewel Hij ons al zo lang heeft begeleid, hoewel Hij al zoveel woorden van aangezicht tot aangezicht tot ons heeft gesproken, blijven we onwillig om zo’n gewoon mens te accepteren als de God van onze toekomst, laat staan dat we bereid zijn om de controle over onze toekomst en ons lot aan deze onbeduidende persoon toe te vertrouwen. Van Hem krijgen we het genot van een oneindige verstrekking van levend water en via Hem leven we, van aangezicht tot aangezicht, een leven van mens en God. Maar we zijn alleen dankbaar voor de genade van de Heer Jezus in de hemel en hebben nooit aandacht besteed aan de gevoelens van deze gewone persoon die de goddelijkheid in bezit heeft. Nog steeds doet Hij, evenals vroeger, Zijn werk nederig in het vlees verborgen, en geeft Hij uitdrukking aan de stem van Zijn hart alsof Hij er ongevoelig voor is dat de mensheid Hem verwerpt, alsof Hij eeuwig de onvolwassenheid en onwetendheid van de mens vergeeft, en voor altijd tolerant is ten aanzien van de oneerbiedige houding van de mens jegens Hem.
Zonder dat we het wisten heeft deze onbeduidende man ons stap voor stap naar Gods werk geleid. We ondergaan ontelbare beproevingen, worden onderworpen aan ontelbare kastijdingen en worden getest door de dood. We leren van Gods rechtvaardige en majestueuze gezindheid, genieten ook van Zijn liefde en genade, leren de grote kracht en wijsheid van God te waarderen, getuigen van de lieflijkheid van God en aanschouwen Gods diepe verlangen om de mens te redden. Door de woorden van deze gewone persoon leren we de gezindheid en essentie van God kennen, leren we Gods wil kennen, leren we de natuur en essentie van de mens kennen en zien we het pad naar redding en perfectie. Zijn woorden veroorzaken onze ‘dood’ en veroorzaken onze ‘wedergeboorte’; Zijn woorden brengen ons troost, maar kwellen ons ook met schuldgevoelens en verwijten; Zijn woorden brengen ons vreugde en vrede, maar ook oneindige pijn. In Zijn handen zijn we soms als lammeren voor de slacht; soms zijn we als Zijn oogappel en ontvangen we Zijn tedere liefde; soms zijn we als Zijn vijand en worden we onder Zijn blik en door Zijn toorn in as veranderd. We zijn het menselijk ras dat door Hem is gered; we zijn de maden in Zijn ogen en de verloren lammeren die Hij dag en nacht wil vinden. Hij is ons genadig, Hij veracht ons, Hij heft ons op, Hij troost en vermaant ons, Hij leidt ons, Hij verlicht ons, Hij kastijdt en disciplineert ons en Hij vervloekt ons zelfs. Dag en nacht blijft Hij zich zorgen om ons maken. Hij beschermt en zorgt voor ons en verlaat nooit onze zijde, maar vergiet voor ons het bloed van Zijn hart en betaalt elke prijs voor ons. In de uitingen van dit kleine en gewone vleselijk lichaam hebben we het geheel van God ervaren en hebben we de bestemming gezien die God ons heeft geschonken. Ondanks dat zorgt ijdelheid nog steeds voor problemen in onze harten en zijn we nog steeds niet bereid om een dergelijk persoon als onze God te accepteren. Hoewel Hij ons zoveel manna heeft gegeven, zoveel om van te genieten, kan niets van dit alles de plaats innemen van de Heer in onze harten. We eren de speciale identiteit en status van deze persoon alleen met grote terughoudendheid. Zolang Hij Zijn mond niet opendoet om ons te vragen te erkennen dat Hij God is, zullen we absoluut niet het initiatief nemen om Hem te erkennen als de God die spoedig zou moeten arriveren en toch al lang in ons midden werkzaam is.
God gaat verder met Zijn uitspraken, en met behulp van verschillende methoden en perspectieven om ons te vermanen wat te doen, en tegelijkertijd Zijn hart een stem te geven. Zijn woorden dragen levenskracht en laten ons het pad zien dat we moeten lopen en stellen ons in staat te begrijpen wat de waarheid is. We beginnen aangetrokken te worden door Zijn woorden, we beginnen ons te concentreren op de toon en manier van Zijn spreken, en beginnen onbewust een interesse in de diepste gevoelens van deze onopvallende persoon te krijgen. Hij spuwt het bloed van zijn hart uit als Hij voor ons werkt, verliest slaap en eetlust voor ons, weent voor ons, zucht voor ons, kermt in ziekte voor ons, lijdt vernedering omwille van onze bestemming en redding; onze gevoelloosheid en opstandigheid trekken tranen en bloed uit zijn hart en onze gevoelloosheid en opstandigheid trekken tranen en bloed uit zijn hart. Wat Hij heeft en is behoort niet toe aan een gewoon persoon en kan door geen enkel verdorven mens worden bezeten of bereikt. Geen enkel gewoon persoon toont de tolerantie en het geduld dat Hij bezit en geen enkel schepsel beschikt over de liefde die Hij heeft. Niemand anders dan Hij kan al onze gedachten kennen, of zo’n helder en volledig begrip van onze aard en substantie hebben, of de opstandigheid en verdorvenheid van de mensheid beoordelen, of tot ons spreken en aan ons werken in naam van God in de hemel. Niemand behalve Hij is begiftigd met het gezag, de wijsheid en de waardigheid van God; de gezindheid van God en wat God heeft en is, worden in hun geheel in Hem naar voren gebracht. Niemand anders dan Hij kan ons de weg wijzen en ons licht brengen. Niemand anders dan Hij kan de mysteries onthullen die God niet heeft geopenbaard sinds de schepping tot nu toe. Niemand anders dan Hij kan ons redden van Satans slavernij en onze eigen verdorven gezindheid. Hij vertegenwoordigt God. Hij drukt het binnenste van Gods hart uit, de vermaningen van God, en Gods woorden van oordeel voor de hele mensheid. Hij heeft een nieuw tijdvak geopend, een nieuw tijdperk, en heeft een nieuwe hemel en aarde ingeluid en nieuw werk, Hij heeft ons hoop gebracht, en een einde gemaakt aan het leven dat we in een vage staat leidden, en Hij heeft ons hele wezen in staat gesteld om het pad naar redding volledig te aanschouwen. Hij heeft ons hele wezen overwonnen en ons hart gewonnen. Vanaf dat moment hebben onze harten bewustzijn verkregen en lijken onze zielen te worden gerevitaliseerd: deze gewone, onbeduidende persoon, deze persoon die onder ons leeft en zo lang door ons is verworpen – is dit niet de Heer Jezus, die altijd in onze gedachten is, wakend en dromend, en naar wie we dag en nacht verlangen? Het is Hij! Hij is het echt! Hij is onze God! Hij is de waarheid, de weg en het leven! Hij heeft ervoor gezorgd dat wij weer kunnen leven en het licht kunnen zien en heeft ervoor gezorgd dat onze harten niet langer dwalen. We zijn teruggekeerd naar het huis van God, we zijn teruggekeerd voor Zijn troon, we staan oog in oog met Hem, we hebben Zijn aangezicht aanschouwd en we hebben de weg gezien die voor ons ligt. Op dat moment worden onze harten volledig door Hem overwonnen; we twijfelen er niet langer aan wie Hij is, werken niet langer Zijn werk en Zijn woord tegen, en we vallen uitgestrekt voor Hem neer. We wensen voor de rest van ons leven niets meer dan de voetsporen van God te volgen en door Hem te worden vervolmaakt en Zijn genade terug te betalen en Zijn liefde voor ons terug te betalen en Zijn orkestraties en arrangementen te gehoorzamen, en samen te werken met Zijn werk, en alles te doen wat we kunnen om te voltooien wat Hij ons toevertrouwt.
Door God overwonnen te worden is te vergelijken met een vechtsportwedstrijd.
Elk woord van God treft een van onze dodelijke plekken en laat ons gewond en vol angst achter. Hij onthult onze opvattingen, onze verbeeldingen en onze verdorven gezindheid. Door alles wat we zeggen en doen — tot aan al onze gedachten en ideeën toe — worden onze natuur en essentie in Zijn woorden onthuld, waardoor we in een staat van angst en beven raken en nergens onze schaamte kunnen verbergen. Een voor een vertelt Hij ons over al onze daden, onze bedoelingen en intenties en zelfs de verdorven gezindheid die we zelf nooit hebben ontdekt, waardoor we voelen dat we in al onze armzalige onvolkomenheid worden ontmaskerd en daarnaast ook volledig overtuigd raken. Hij veroordeelt ons omdat we ons tegen Hem verzetten; Hij tuchtigt ons omdat we Hem lasteren en veroordelen en Hij laat ons voelen dat we in Zijn ogen geen enkele verzoenende eigenschap hebben, dat we de levende Satan zijn. Onze hoop wordt vernietigd; we durven geen onredelijke eisen meer aan Hem te stellen of plannen met Hem te maken en zelfs onze dromen verdwijnen van de ene dag op de andere. Dit is een feit dat niemand van ons zich kan voorstellen en dat niemand van ons kan accepteren. In een oogwenk verliezen we ons innerlijk evenwicht en weten we niet hoe we verder moeten op de weg die voor ons ligt, of hoe we verder moeten gaan met onze overtuigingen. Het lijkt alsof ons geloof terug is bij af en dat we de Heer Jezus nooit hebben ontmoet of Hem niet hebben leren kennen. Alles voor onze ogen vervult ons met verbijstering en laat ons besluiteloos twijfelen. We zijn wanhopig, we zijn teleurgesteld en diep in ons hart is er een onbedwingbare woede en schande. We proberen stoom af te blazen, proberen een uitweg te vinden en bovendien proberen we te blijven wachten op onze Heiland Jezus om onze harten naar Hem uit te storten. Hoewel we aan de buitenkant soms evenwichtig lijken — niet hoogmoedig, niet nederig — worden we in ons hart getroffen door een gevoel van verlies dat we nooit eerder hebben gevoeld. Hoewel we aan de buitenkant soms ongewoon kalm lijken, kolkt onze geest als een stormachtige zee. Zijn oordeel en tuchtiging hebben ons alle hoop en dromen ontnomen en hebben een einde gemaakt aan onze buitensporige verlangens en ons onwillig gemaakt om te geloven dat Hij onze Redder is en ons kan redden. Zijn oordeel en tuchtiging hebben een diepe kloof geopend tussen ons en Hem, een kloof zo diep dat niemand bereid die over te steken. Zijn oordeel en tuchtiging zijn de eerste keer in ons leven dat we zo’n grote tegenslag te verduren krijgen en zo’n grote vernedering ondergaan. Zijn oordeel en tuchtiging hebben ons werkelijk Gods eer en onverdraagzaamheid tegenover de overtreding van de mens doen inzien, in vergelijking waarmee we zo laaghartig en onzuiver zijn. Zijn oordeel en tuchtiging hebben ons voor het eerst doen beseffen hoe arrogant en opgeblazen we zijn en dat de mens nooit de gelijke van God zal zijn, of op gelijke voet met God zal staan. Zijn oordeel en tuchtiging hebben ons doen verlangen om niet langer in zo’n verdorven gezindheid te leven en hebben ons ertoe aangezet om zo snel mogelijk van die natuur en essentie af te komen en te stoppen met verachtelijk en walgelijk voor Hem te zijn. Door Zijn oordeel en tuchtiging willen we graag Zijn woorden gehoorzamen en niet langer tegen Zijn orkestraties en arrangementen rebelleren. Zijn oordeel en tuchtiging hebben ons opnieuw het verlangen gegeven om te blijven leven en hebben ervoor gezorgd dat wij hem graag als onze Redder aanvaarden. … We zijn het overwinningswerk uitgestapt, zijn uit de hel gestapt, zijn uit het dal van de schaduw van de dood gestapt. … Almachtige God heeft ons gewonnen, deze groep mensen! Hij heeft over Satan gezegevierd en al Zijn vele vijanden verslagen!
We zijn enkel zo’n gewone groep mensen met een verdorven satanische gezindheid, degenen die door God zijn voorbestemd vóór de tijdperken en de behoeftigen die God uit de mesthoop heeft opgeheven. We hebben ooit God verworpen en veroordeeld, maar nu zijn we door Hem overwonnen. Van God hebben we het leven en de weg van het eeuwige leven van God ontvangen. Waar we ook zijn op aarde, welke vervolgingen en tegenspoed we ook doorstaan, we kunnen niet gescheiden zijn van de redding van Almachtige God. Want Hij is onze Schepper en onze enige verlossing!
De liefde van God strekt zich uit als het water van een bron en wordt aan jou gegeven, aan mij, aan hem en aan anderen die oprecht de waarheid zoeken en die op de verschijning van God wachten.
Net zoals de zon en de maan beurtelings opkomen, zo houdt het werk van God nooit op en wordt het uitgevoerd op jou, op mij, op anderen en op iedereen die Gods voetsporen volgt en Zijn oordeel en tuchtiging aanvaardt.
23 maart 2010